westerondermolen

Wester ondermolen


Uit: Notulen Waterschap Starnmeer en Kamerhop.

Archief Alkmaar.
23 juli 1729, molenaar

Hebben Dijkgraaf en Heemraden aangestelt op de wester bovenmolen, in plaats van de overleden Grietje Kantvoet, weduwe van Dirk Wijbrants Kantvoet: Gerrit Bril. Nog in plaats van Jan Prsz, die uit de wester ondermolen verstrekt: Abram Prsz.

+/- 1745, vijzel

Dat de molen van Gerrit Bril bemaald, Zijnde de westerse, nog deze zomer met een nieuwe vijzel en bak zal werken.

Memorie, 19 mei 1753 en 11 mei 1754

De molenaars geordoneert de roeden van hun molens die met 1, 2, 3 en 4 gemerkt zijn, ieder week een kwart slag voort te draaijen op een boete telkens van 2 Gulden. Volgens hun instructie articel II, Sodanig dat omlaag (…) voorbij de molen komt: op ieder Zondag ‘s morgens voor 9 uure ge-extendeert of gespecificeert op bijzondere lijsten ieder jaar.

1759

Dat de vijzels en bak zijn vernieuwd.

Lees meer

westerbovenmolen

Wester bovenmolen


Uit: Notulen Waterschap Starnmeer en Kamerhop.

Archief Alkmaar.
23 juli 1729, molenaar

Hebben Dijkgraaf en Heemraden aangestelt op de wester bovenmolen, in plaats van de overleden Grietje Kantvoet, weduwe van Dirk Wijbrants Kantvoet: Gerrit Bril. Nog in plaats van Jan Prsz, die uit de wester ondermolen verstrekt: Abram Prsz.

+/- 1745, vijzel

Dat de molen van Gerrit Bril bemaald, Zijnde de westerse, nog deze zomer met een nieuwe vijzel en bak zal werken.

Memorie, 19 mei 1753 en 11 mei 1754

De molenaars geordoneert de roeden van hun molens die met 1, 2, 3 en 4 gemerkt zijn, ieder week een kwart slag voort te draaijen op een boete telkens van 2 Gulden. Volgens hun instructie articel II, Sodanig dat omlaag (…) voorbij de molen komt: op ieder Zondag ‘s morgens voor 9 uure ge-extendeert of gespecificeert op bijzondere lijsten ieder jaar.

1759

Dat de vijzels en bak zijn vernieuwd.

Lees meer

Molen van het Kamerhop

Molen van het Kamerhop


De polder Kamerhop is een onderdeel van de droogmakerij De Starnmeer, maar is daar vanaf het begin gescheiden van geweest doordat de stad Alkmaar bij de drooglegging in 1643 een vaart bedongen had richting de stad via het kortste tracé. Kamerhop kreeg zodoende een eigen molen. Deze werd echter in 1734 gesloopt waarna Kamerhop door middel van een grondduiker onder de ringvaart door, door de molens van De Starnmeer werd bemalen. De ringvaart werd onderdeel van het Noord-Hollandskanaal dat in 1819-1824 werd aangelegd. Het beleid hierbij was dat er geen grondduikers onder het kanaal zouden komen, vanwege de diepgang van de zeeschepen. Kamerhop kreeg aldus in 1823 op rijkskosten een nieuwe molen. Deze bleef in bedrijf tot 1923 en is toen gedeeltelijk gesloopt, en bleef als woning in gebruik.


Uit: notulen van het Waterschap Starnmeer en Kamerhop

Archief Alkmaar

26 juni 1730, vijzel
Dat in de Camerhopmolen van deze jare 1730, een nieuwe vijzel en bak zal worden gemaakt. En int jaar 1731 insgelijks in de molen aant oosteijnd van de Middeltocht, in de Starnmeer.

1730
De molenaar Claes vant Overtoom is toegestaan ter zake hij met uitmalen door de gebrekkelijkheid der molen, extraordinair veel moeijte heeft gehad, een sommetje van twintig Gulden (…).

Vergadering 21 augustus 1823
“Aangaande het groot Amsterdamsche Kanaal rapporteerd de Dijkgraaf dat wegens de werkzaamheden daarvan diverse bijeenkomsten zoo met de Heer Gouverneur van NoordHolland als met den Generaal Inspecteur Blanke zijn geweest, waarvan het resultaat is geworden dat door Zijne Excellentie den Heere Staatshoofd Gouverneur van NoordHolland daartoe door Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandse Zaken en Waterstaat, zij namens Zijne Majesteit den Koning geautoriseerd ten eenren Dijkgraaf en Heemraad, zijnde de navolgende overeenkomst is gesloten op den 2e Maart 1823:

Dat Dijkgraaf en Heemraden aannemen om ten dienst van het groot Amsterdamsche Kanaal weg te nemen en te royeren, de duiker of pomp liggende van de polder Kamerhop naar de polder de Starnmeer, dwars door het kanaal en vallende midden in het verdieping werk, welke wegneming zullen geschieden ten kosten en voor rekening van de Starnmeer, en vermids door de wegneming van gezegde pomp het polder Kamerhop is verstoken van deszelfs waterloozing en men diensvolgens verpligt zal zijn daar toe andere maatregelen te nemen. Zoo verbind de ondergetekende Staatsraad Gouverneur van NoordHolland bij deezen, dat door gezegde opruiming van de pomp met de kosten daardoor vallende en het bouwen van een sufficante achtkante schroefwatermolen in de polder Kamerhop, geschikt en bekwaam tot drooghouding van de zelve polder, door of vanwegen het Gouvernement zal worden betaald aan Dijkgraaf en Heemraden, eene somma van vierentwintigduizend Guldens, in de loop van den Jare 1823, wordende eindelijk door Dijkgraaf en Heemraden aangenomen het daarstellen en onderhouden van gezegde watermolen en het drooghouden van de polder Kamerhop alles ten hunnen kosten.

De Dijkgraaf verklaart het genoegen te mogen hebben te kunnen zeggen dat tot heden alles in order is geschied en geene schade of nadelen aan de polder zijn veroorzaakt, dat wijders onder directie van den timmerbaas Willem de Gooijer een nieuwe watermolen reeds in het Kamerhop is geplaatst, welke reeds voor driekwart voltooid is, wordende de verdere arbeid daarvan dagelijks met alle spoed voortgezet, zoodat men voor de herfst hopelijk kan roeden, dezelve compleet zal zijn.

Door den Dijkgraaf is nog besteed geworden aan Willem Verschei, het opmaken van de Kamerhopstogt, voor fl 1,50 cents de voet.

Nog is bepaald dat de Molenaars voor de Starnmeer, voor het malen van het water uit het kanaal, ieder zullen genieten fl 15,-. Het fractement voor den Moolenaar in het Kamerhop is bepaald op fl 52,- ‘s Jaars.”

Extra vergadering, donderdag 9 oktober 1823
“Na korte tijd dat het collegie alhier had vertoefd, arriveerde Zijne Excellentie met de Heeren Ingenieurs Van Asperen en (…) den Heer Inspecteur te kennen, dat in gevolge de circulaire vanwegen de Starnmeer aan Zijne Excellentie den Heere Staatsgouverneur van NoordHolland, dat twee deezer geschreven tendeerende, dat vermits de nieuwe watermolen in het polder Kamerhop, thans volkomen gereed was, en na een Examinatie geschikt bevonden, tot drooghouding van die polder alzoo aan de zijde van de Starnmeer, wanneer de duiker of pomp liggende van polder Kamerhop in de Starnmeer, is weggenomen, geheel voldaan zijnde, aant contract daaromtrend met Zijne Excellentie den Heer Staatsraadgouverneur van NoordHolland geslooten het gemeld bestuur als nu aanwijzing tot de daarvoor bedwongen som van /24.000,- had verzorgt, dat Zijne Excellentie als nu de gemelde nieuwe watermolen, wenschte te zien.
Waarop Zijne Excellentie met de Heeren Ingenieur, den Heer Dijkgraaf, Heemraden en Secretaris, benevens den constructeur der molen, de baas van de Starnmeer. Willem de Gooijer, na de molen zijn gegaan, welke alvorens door Zijne Excellentie zeer nauwkeurig geinspecteerd te zij, in werking werd gebragt en zoo juist nauwkeurig bevonden wierd gemaakt te zijn, dat Zijne Excellentie Zijne bijzondere tevredenheid daarover betoonde, en met genoegen de werking dezer vijzelmolen zag, die met 72 roeden vlugt, het water ruim dertien Voet opmaald, en met zoodanig gevolg dat dezelve in een minuut 50 Ton uitsloeg.

Naar vervolg in het Starnmeerhuis teruggekeerd te zijn, onderhield Zijne Excellentie zig een geruime tijd met den baas De Gooijer, verklarende Zijn Excellentie, dat hij getoond had, een zeer kundig man in dit vak te zijn, en hem aldus den lof moest geven, van een voorbeeld voor anderen te hebben gesteld.

Extra vergadering, vrijdag 10 oktober 1823
De Dijkgraaf bericht dat tot zijn groot genoegen de vijzelmolen in het Kamerhop, niet alleen gereed is, maar zelfs meer dan men daarvan had durven verwagten, water uitmaalt, zodanig, dat dezelve ieder Minuut 50 Ton uitslaat en hetzelve ruim dertien Rijnlandsche voeten moet ophalen, waarmede den Timmerman Willem de Gooijer allen lof heeft verdiend, hetgeen op gister door den Heer Inspecteur Generaal is bevestigd, welke de molen geheel heeft geinspecteerd, waarvan behoorlijke aantekening is gehouden.

 

Lees meer

Molenaars instructie

 


molenaars instructie 01
pagina 1

Instructie voor de moolenaars in de Starnmeer.

Te Alkmaar, gedrukt by Jan Coster Hz. Anno 1785.



 

pagina 2
pagina 2

pagina 3
pagina 3

Instructie voor de moolenaars in de Starnmeer.

 

Articul 1.

In den eersten. Zullen alle Moolenaars, als de peyl daartoe, by Dykgraaf en Heemraden geslagen onder is en geen verlet van Wind hebbende moeten Maalen, op verbeure van twaalf Stuivers, ten waare haar by Dykgraaf Heemraden of Poldermeesters, anders waas belast.

2

Zo draa’er eenige buijen opkoomen zullen haar Zeylen moeten zwigten, dog met die bepaalinge dat by goede gestadige toeneemende Windt, niet kort moeten zwigten, of de Zeilen voorom de Zoom gooyen, maar wel by buijig Weer, en by Storm Weer dezelve inneemen,


pagina 4
pagina 4

en oprollen, om alle schade te verhoeden, gelyk zy ook by nagt, Stormagtig zynde, niet zullen vermogen te maalen, zullen contrarie doende, na verdienste werde gehandeldt.

3

By dat of nagt, hun te slapen leggende, terwyl de Moolen maalt, of die van de moolen zig absenteerd, terwyl het nodig is, dat gemalen werdt, ‘t zy by windig of stil weer, zonder een bequaam Persoon in zyn plaats te laten, zal telken reyze verbeure een somma van zes Guldens, en de schade, door agteloosheid veroorzaakt werdende, op hem en ‘t zyne werden verhaalt.

4

De Moolenaars zullen al het gaande werk als gebruikelijk is, wel gesmeerd houden, zullen ook zorge dragen dat de Moolens wel op de wind staan.

5

In de tyd dat het noodig is des nagts te malen, zullen de Moolenaars by stilte by beurte moeten waken, en dan elkander waarschouwen als ‘er wind komt om te malen, zo als zy lieden ook in alle gevallen by nood malkanderen na vermogen moeten helpen en bystaan, op de boeten van drie Guldens in ‘t eerste geval, en verders na merite der zaaken te verbeuren.


pagina 5
pagina 5

6

Zullen geen Touwerk van de Molens hoe genaamd moge gebruiken, anders als tot dienst van dezelve Moolens, op paene van zes Guldens en arbitraire correctie, en by zo verre bevonden mogt werden, dat de Molenaars door verwaarloosing of  slof-heid, hun touwerk mogten doen  of laten bederven, zulks dat ‘t zelve daardoor eerder verbruikt of onbequaam mogt zyn, als behoord, zal de schade daar door veroorzaakt, ter arbitrage van de Heeren Dykgraaf en Heemraden, van hun gagie werden ingehouden, en aan de Meer werden gedaan en zoodanig Moolenaar daarenboven worden gemuleteerd of gecorrigeerd, zo als bevonden zal werden te behooren.

7

Zullen ook altyd hun Gereedschap wel bewaren, en aan niemand buiten hun Moolens leenen, op verbeurte van zes Stuivers, ende by verlies dezelve moeten betalen.

8

Zullen geen slapers in hun Moolens leggen, buiten consent van de Heeren Dykgraaf en Heemraden, op paene van drie Stuivers voor ieder nagt en van elk slaper te verbeuren.

9

Zullen haar Vysels om de acht dagen eens een halve


pagina 6
pagina 6

 

Slag moeten omdrayen, om het door buygen van de vysels als de Molen stil staat voor te komen, op een boete van twee Guldens.

10

Als de vysels vast gevroren zijn, en het door Poldermeesters geoordeeld wert te malen, moet de Timmerbaas ten eersten daar van kennis hebben, ten einde door hem en onderhorige te werden los gemaakt, en van het ys bevryd, zonder dat iemand anders zig daar mede mag bemoeijen.

11

Zullen by stilte al het gaande en ander Werk, van hunne Molens besigtigen, insonderheid de wiggen van de Roeden, ende eenige gebreeke vindende, aanstonds aan den Timmerbaas daar van kennis geeven.

12

Ende by aldien hunnen Moolens ontsteld zyn, dat zy niet malen kunnen, dezelve overhoeks stellen en na den Timmerman toegaan, ende zullen de Moolenaars niet alleen de onklaare maar ook aan de andere nevenstaande Moolen, (des gerequireerd:) den Timmerman helpen tot datse klaar is, zonder zig daarvan te onttrekken, of van de Moolens te absenteeren, op verbeurte van haar gagien en zes stuivers aale dagen daar en boven.


pagina 7
pagina 7

13

Zullen alle ruygte van de Molen werven neemen, en wel toezien dat de roeden daar door geen schade lyden, ook hunne Moolen-werven gnap houden, op de boete van tien stuivers.

14

Zullen ook alle Ruygte en Kroos, van voor de Waterloop weren en dezelve klaar houden, en tot dien einde hunne Vlas en Boots haken altyd met stalen voorzien houden, alles op verbeurte van drie stuivers.

15

Ook zullen de Moolenaars gehouden zyn, hare Molens alle Jaaren wel en behoorlyk te Teeren zonder daar voor iets te prætendeeren ofte genieten, en zal een ider zyn Moolen ten eersten moeten afteeren.

16

Niemand der Moolenaars zal eenig Ried in haar Molens op de Zolders ofte waar het zoude mogen wezen laten leggen, op een boete van drie Guldens.

17

De Moolenaars zullen alle Deuren en Vensters aan de Windzyde wel sluyten, ende de Leydeur ongelsooten laaten, op een boete van zes Stuivers.


pagina 8
pagina 8

18

Zullen ook niet Dronken drinken, op pœne van twintig stuivers, nog dronken zynde malen, op verbeurten van tien Guldens telken reyze, en na geleegentheid arbitraire correctie daar en boven.

19

Zullen hun Vuur wel uitbluschen, geen Asse op Molen werven of  omtrent de moolens leggen, ende geen te groote vuur maken op pœne van drie Guldens ende correctie als vooren.

20

Zullen geen Deelen, sparren, hekken, zoomen, kammen, staven nog Zooden of Aarde van de dyk branden, op de boeten van twintig stuivers telkens, erbitraire correctie.

21

By de Poldermeesters, Opzienders of andere daar toe gestelt, bekeurd of vermaand zynde, zullen zy dezelve niet qualyk toe spreeken, op pœne van zes Guldens, nog dreigen, op pœne van tien Guldens, nog slaan, op pœne van cassatie en arbitraire correctie, maar zo zy luiden tegen de bekeuring iets te zeggen hebben, zullen zy ‘t zelve den Dykgraaf en Heemraden voordraagen.

22

Zullen by tyds waarschouwen, zo wanneer eenige Zeylen


pagina 9

gebroken zyn, en wanneer hun nieuwe zeylen gebragt werde, de gebrooken zeijlen afslaan, en meede geven, aan die de andere brengt, ook geene Lappen of stukken van hunne zeijlen afsnyden, op pœne van drie Guldens, en arbitraire Correctie.

En of ‘t mogt gebeuren, dat eenig Molenaar, mogt in gebreeke blyven, ‘t noodige Touwerk te verzoeken, en dadelyk af te halen, zo dat daar mogt verzuimen, of buiten staat geraken, om na vereis te maalen, zal voor de eerstemaal verbeuren, een boete van drie Guldens, voor de tweede maal zes guldens, en voor de derdemaal van zyn dienst werden ontzet en gecasseerdt.

23

Ook hunne Zeijlen nat zynde, niet oprollen, maar opgerolt nat wordende, ten eersten ontrollen, en verweeren zonder eenige natte zeijlen, twee dagen aan malkanderen onverweerd, en opgerolt, te laten, op de boete van twee guldens, telkens te verbeuren.

24

Zullen niet vermogen op de vloeren, nog op tafelementen, en drempels van de deuren, te hakken op de verbeurte van een gulden, en reparatie van de schade, tot haren kosten.

25

Zullen ook niet vermogen eenige Planken, deelen, sparren,


pagina 10
pagina 10

balken, of ander Houtwerk, als haar Huisraad in de molens brengen, veel min daar uit dragen, op prætext dat ‘t zelve haar eigen zouden wezen, op de verbeurte van ‘t zelve hout, alwaar ‘t ook haar eigen geweest, en een boete daar en boven, ter discretie, van de Heemraden en gelegenheidt.

26

Zullen ook niet vermogen, eenige duyven, varkens, kalveren, lammeren, of andere beesten, in hunne moolens te houden, op boete van twintig stuivers voor de eerste, en dubbel boete, met verbeurte van de voorn: beesten voor de tweede reyze.

27

Zullen ook gehouden wezen in ‘t zomer zaijzoen, als het malen ophoud, hunne zeijlen wel te droogen, af te slaan op te rollen, en te brengen ter plaatze, daar hen geordonneerd zal werden, op de boete van zes stuivers voor ieder Zeyl dat op de eerste Schouw, aan de roede zal gevonden worden, ten ware hen andere order waaren gegeven.

28

De Moolenaars zullen gehouden wezen, by inbreuk van de buiten Zeedyken, alle hunne zeijlen af te slaan en dezelve te brengen, in de boven molens, alwaar zy luiden ook by den anderen zullen blyven, om volgens de


pagina 11
pagina 11

ordere die hun by Dykgraaf, ende Heemraden zal gegeven worden, alle goede toezigt dragen, ende hulpe, en adsistentie te doen, daar zulks van nooden mogt weezen.

29

Zullen ook gehouden wezen haar molens, puntig en reyn te houden en op elke Schouw wel gezuivert geveegt, en gereijnigt te hebben, op pœne, van tien stuijvers, telkens te verbeuren.

30

Zullen haar dienst veertien dagen van te vooren moeten opzeggen aan Dykgraaf en Heemraden, als dezelve van de molen willen scheiden, dog zullen by Dykgraaf en Heemraden terstond mogen gecasseerd, en anderen, in de plaats gesteld worden, zonder van te vooren te waarschouwen, en zullen aan de nieuwen Moolenaar dan moeten overleveren, alle haare gereedschap, volgens de Memory daar van zynde, eer zy ten vollen zullen worden betaaldt.

31

Dezelve Moolenaars zullen ook de Ringdyk en binnenwegen, van alderhande beesten, moeten zuyver houden, te weeten, de twee Molenaars over Oostgrafdyk van ‘t Enchuyzer Lands Hek aff, tot de Laanweg toe, met de laan, ende Graftdykerweg de twee Moolenaars van de bovenmoolen, by de hoek,  en ‘t steene pypje, van de laanweg tot de paal No. met de middelweg en het


pagina 12
pagina 12

kamerhop, de twee Moolenaars van de onder Moolens, aan de zelve gang, van de paal No. af tot aan de hoek by de Landmeer, met de Knollendammer, en de Butteroorsweg, en de beesten dien zy daar op vinden, zullen zy in ‘t Schuthok, en ‘t zelve aanstonds aan Dykgraaf bekend maaken, die de boete dan zal invorderen, dog zal de helft daar van weder uitkeeren, aan de Moolenaars, die de beesten in ‘t Schuthok gebragt zullen hebben, voor haar schutten, dog zoo den Dykgraaf eenig beest of beesten aan de Ringdyk, of binnenwegen vindt, zal het zelve schutten en korten, de Moolenaars, elk in wiens perk, hy het zelve vind, van haar Tractement af, en zal dan nog de boeten invorderen, van de luyden, wiens beesten het zyn, dog daar van zal hy de helft aan de Moolenaars wedergeven.

32

De Moolenaars zullen aan de Moolentogten, en ‘t geen daar aan dependeerdt, tegens de Kroosschouw, moeten gekroost hebben, op een boete van elk zyn perk zes stuyvers, en zoo voorts van week tot week, te beschouwen, de boete te verdubbelen, tot op de derde Schouw, wanneer het besteed zal worden, ten haaren kosten.

En de Moolentogten, en kolken, by parken moeten zuyver houden, volgens Resolutie van den 25 April 1662 geinsereerd, in het Keurboek Folio 9 en breeder vermeld, in de keure op het Kroozen, in dato 22 aug. 1744.


pagina 13
pagina 13

33

Zullen voor hun dienst genieten, elk in ‘t Jaar, tot nadere ordere, waar van zy alle drie maanden, zullen ontfangen, een geregte vierde part, daar en booven, vry Wooning in de Moolens, &c.

34

Eindelyk zullen alle de Respectieve boetens die zy ter zaake, van deze Instructie zouden mogen verbeuren, worden genteerd, en by den Penningmeester op het betaalen van haar Tractement, worden gekort en ingehouden, zonder eenig tegenspreeken, op pœne van dubbelde boeten.

Aldus gedaan en Geresolveerdt,
By de Heeren Simon Appel Dykgraaff,
Dr. Jacob Groen, en Willem Bek
Heemraden van de Starnmeer.
My Present,
Jan Heines.


pagina 14
pagina 14

Lees meer