Voor de veenontginning

Tot ongeveer de negende eeuw ligt er langs heel Noord-Holland een brede strook duinen waarop bewoning mogelijk is. Deze duinen waren veel lager dan de duinen die we nu kennen en lagen bovendien veel verder de zee in. In deze duingebieden liggen grote bossen waar in veel wilde dieren, zoals beren, wolven en zwijnen, leven. Het was dus behoorlijk gevaarlijk voor de mensen in die tijd.

Ook achter deze duinen is het gebied erg ruig en gevaarlijk. Daar ligt namelijk een groot, onbewoonbaar veenlandschap, dat zich uitstrekt over het gehele noordelijke deel van Nederland. Het Ijsselmeer is er dus nog niet. Ook in dit gebied stonden grote oerwouden. Van enkele zijn namen bekend en sommigen geven goed aan dat het geen plezierige plekken waren. Een mooi voorbeeld hiervan is “Het Woud van Ongenade”.

Het veengebied bestaat uit afgestorven plantenresten, welke in de loop van tienduizenden jaren (voordien was dit gebied zelfs zee. Doordat door de afzetting van slib de zee steeds verder werd teruggedrongen, kregen planten de kans in dit gebied te gaan groeien) tot een meters dikke laag is geworden en dus boven de zeespiegel uitsteekt. Door de hoogte kan het regenwater op een natuurlijke wijze via een veenrivier afwateren naar zee. Noord-Holland lag dan ook vol met dit soort rivieren.

Behalve duinen en veen kent Noord-Holland ook nog strandwallen. Dit zijn kilometers lange, smalle zandstroken, die achter de duinen tot in het veen lopen en er ook bovenuit steken. Deze strandwallen waren uitstekende plaatsen om te wonen en hier zijn dan ook de oudste plaatsen van Noord-Holland gesticht. Voorbeelden hiervan zijn Castricum, Limmen, Heiloo, Uitgeest en Bergen.

In het veengebied is alleen bewoning mogelijk langs de veenrivieren, waar, door de goede afwatering, het veen droger en steviger is.

Veenrivieren

Zoals al gezegd liepen er door heel Noord-Holland vele veenrivieren. Het veen bevatte immers veel water en zeker in regenachtige perioden zocht dit een makkelijke uitweg. Aangezien het veen niet overal even dik was werden er vaak grillige routes gevolgd.

In Noord-Holland zijn twee gebieden bekend waar vroeger een dikker pak heeft gelegen dan gemiddeld. De een lag ten zuiden van het Y (ook een oude veenrivier) en de ander lag daar juist boven. Deze laatste bedekte (bekeken naar de plaatsen zoals wij die nu kennen) een gebied van Zaandam, Wormer- en [[Jisperveld]], de [[Purmer]] tot uiteindelijk de [[Beemster]]. Behoorlijk groot dus. Het is dit gebied geweest waar de Starnmeer zijn bestaan aan te danken heeft.

Het gebied waar de Starnmeer zou onstaan lag namelijk ten westen van de dikkere veenlaag en het was dan ook het doorstroomgebied van tenminste een grote rivier: de [[Wormer]]. Deze rivier vond zijn oorsprong ongeveer (het blijft natuurlijk gokken, er is nu eenmaal zeer weinig bekend over de preciese situaties in die tijd) in het midden van de veenlaag en liep dus naar het westen om te samen met de veenrivieren Scirmere (later [[Schermer]]), [[Stierop]] (bestaat nog steeds) en het IJ, via de Dije bij Bergen in zee te stromen.

 

Situatie voor de veenontginning

*Impressie van hoe rivieren door de Starnmeer gelopen kunnen hebben. Zwart staat hier voor de rivieren en grijs voor de Starnmeer zoals die nu is.

 

In het Zuiden loopt de Wormer (wat later de [[Zaan]] is gaan heten). In het noordwesten kwam de Vuile Graft erbij en zo liep het totaal naar de Stierop (in het westen), om vandaar via de Dije naar zee te stromen.

Waarschijnlijk begonnen de eerste mensen de rivieren langs te trekken vanaf het begin van onze jaartelling. Dit werd gestart vanuit de duinen en de zandwallen, daar waar de rivier langs stroomde. Van die plekken zal men Holland (voorzover je dat toen al zou kunnen noemen) langzaam zijn ingetrokken. Dit zal zeker een heel aparte tijd zijn geweest voor de mensen in die tijd.

In de loop der tijd, misschien rond het jaar 800 zal het hele gebied wel bewoond zijn. Aanvankelijk leefde men hier van de visserij maar op de zandige gebieden werd ook al graan en dergelijke verbouwd. Ergens rond het jaar 800 schijnt er een behoorlijke droogte zijn geweest waardoor er op de zandgronden geen gewassen meer konden worden verbouwd. Door die zelfde droogte was echter het moeras ook een stuk toegankelijker en het is waarschijnlijk dat in die tijd de eerste veenonginningen zijn begonnen.

Meer hierover in het hoofdstuk: tijdens de veenontginning.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *