Tijdens de veenontginning

Zoals gezegd was het ergens bij het jaar 800 erg droog in Holland. Het moeras was hierdoor beter toegankelijk en waarschijnlijk is de bevolking toen begonnen met het ontginnen van de eerste gebieden. Het principe van afwatering zal al een tijdje bekend geweest zijn, dat was immers de reden dat ze aan de oevers van de rivieren konden wonen, maar door de droogte was het plotseling best makkelijk om het zelf te doen.

De manier waarop dit ging was in het begin heel overzichtelijk. Er werden sloten gegraven, haaks op de rivier en deze liepen een eindje het moeras in. Aan het einde werd er een verbindingssloot gegraven zodat het water van achter het ontgonnen gebied ook geen probleem meer vormde. Het stuk grond dat tussen deze sloten lag, droogde hierdoor snel uit en al rap was het mogelijk om vee te weiden en zelfs graan te verbouwen.

Na verloop van tijd was er vraag naar nieuwe gebieden, doordat er meer mensen kwamen wonen. Hierom werd de al gegraven sloot verder het veld ingegraven en werden er weer nieuwe verbindingssloten gegraven. Dit ging zo lange tijd door en hierdoor ontstonden de typische door water omringde veldjes zoals die bijvoorbeeld nog in het Wormer en Jisperveld te zien is. Dit waren vaak ook behoorlijk scheef lopende sloten, de rivieren liepen immers niet in een rechte lijn maar in bochten. Veel sloten liepen hierdoor van elkaar af of juist naar elkaar. Bij de oorsprong van een rivier werd hetzelfde systeem toegepast waardoor een soort waaier ontstond.

Uiteindelijk zullen de mensen die vanuit de ene rivier land moeras aan het ontginnen waren, op de mensen zijn gestuit die vanuit een andere rivier het zelfde deden. Uiteindelijk zal rond het jaar 1000 op die manier heel Holland zijn ontgonnen.

Inklinking

De mensen die in de eerst ontgonnen gebieden woonden zullen er rond die tijd al lang en breed achter gekomen zijn dat het ontgonnen gebied aan het zakken was. Het oorspronkelijke gebied bestond immers uit dode plantenresten (veen) en veel water. Het water was nu weg waardoor de overblijvende ruimte gevuld werd door diezelfde plantenresten waardoor de bodem daalde. Bovendien kwam er bij de resten nu lucht waardoor grote delen verrotten en en bodem nog meer zakte.

In eerste instantie zullen de boeren gedacht hebben dit probleem nog wel de baas te kunnen door gewoon weer de sloten uit te diepen, maar al snel zal men toch wel begrepen hebben dat dit niet tegen te houden was. Het eerste effect zal geweest zijn dat het veen dat direct aan de rivier lag een zodanige hoogte bereikte dat het onder invloed van de stromingen van de rivier en de wind die dit nog verhevigde, langzaam aan stukjes kwijt raakte.

 

Inklinking zorgt voor grondverlies.

*Impressie van hoe rivieren door de Starnmeer gelopen kunnen hebben. Zwart staat hier voor de rivieren en grijs voor de Starnmeer zoals die nu is.

 

In het Zuiden loopt de Wormer (wat later de Zaan is gaan heten). In het oosten komt de Bamestra/Beemster op de Wormer uit. Dit is naar alle waarschijnlijk pas later tot stand gekomen, nadat de Beemster zeer veel in grootte had toegenomen en zo steeds meer naar het zuiden toe groeide).

In het noordwesten kwam de Vuile Graft erbij en zo liep het totaal naar de Stierop (in het westen), om vandaar via de Dije naar zee te stromen.

Uiteindelijk zorgde de bredere rivieren voor een nog snellere afslag van veen, maar daarnaast kwam door de inklinking het land langzaam gelijk met de zeespiegel te liggen. Hierdoor kreeg het zeewater de kans twee keer per dag het land op en af te spoelen waardoor nog sneller land ten prooi viel aan het water. Vooral in het noorden van Holland had dit ernstige gevolgen.

Meer hier over is te lezen in het volgende hoofdstuk: na de veenontginning.