Het bestuur

[nggtags gallery=polderbestuur] De “regering” van de Starnmeer berustte bij de hoofdingelanden en kwam hoe langer hoe meer in Amsterdamse handen, tot ongeveer het midden van de 18e eeuw.

Het dagelijkse bestuur, uitgeoefend door dijkgraaf en heemraden, beruste meer bij inwoners van De Rijp.

Dat bleef zo toen in de tweede helft van de 18e eeuw ook de regering van de Starnmeer in handen kwam van mannen uit De Rijp.

Aanvankelijk waren er 6 hoofdingelanden. dat waren de 3 steden Hoorn, Purmerend en Enkhuizen. Verder Allert de Groot uit Hoorn, majoor Dirck Hasselaar uit Amsterdam en Jhr. Reynier Pauw uit Amsterdam.

Toen Hoorn en Purmerend zich in 1662 terugtrokken, vielen zij uit als hoofdingelanden. Het college bestond toen voortaan uit 4 hoofdingelanden. Bij bedanken of overlijden vulden de andere leden het college aan door cooptatie, dat is verkiezing door de zittende leden, zoals dat met vroedschappen in de steden ook het geval was.

In 1673 waren de hoofdingelanden, naast de vertegenwoordiging van Enkhuizen, Daniel van Gheel, Cornelis van Gheel en Hendrik Hooft. drie heren uit Amsterdam, die tevens het meeste bezit hadden in de Starnmeer. Men zou zelfs van een Amsterdamse familieregering kunnen spreken, want Daniel en Cornelis waren broers en Hendrik Hooft was aan hen verwant: een dochter van Daniel was getrouwd met Gerrit Hooft, en hij was een broer van Hendrik.

In 1717 waren er nog steeds 3 hoofdingelanden uit Amsterdam, naast die van Enkhuizen. Het waren Dirk Alewijn, schepene en raad van Amsterdam; Gilles van Hoven en Jacob van Gheel. Door de vermaagschapping van de families Van Gheel en Hooft waren Jacob van Gheel en Dirk Alewijn verwanten. Dirk Alewijn is dijkgraaf van de Starnmeer geweest, als opvolger van zijn schoonvader Jacob Loten.

Rijper regenten

Hierna trad geleidelijk verandering in, Toen in 1722 Jacob van Gheel als hoofdingeland werd vervangen door Cornelis Eenhoorn uit De Rijp, trad daarmee voor het eerst iemand uit De Rijp op als hoofdingeland. Het spreekt vanzelf dat met het verkopen van hun bezit de Amsterdammers ook geleidelijk als regeerders van de Starnmeer terugtraden.

Toen in 1730 Gilles van Hoven was vervangen door Cornelis Groen uit De Rijp, was er nog maar een Amsterdamse hooftingeland. deze, Dirk Alewijn, overleed in 1746 en werd opgevolgd door zijn zoon, eveneen een Dirk Alewijn. Ook hij werd dijkgraaf. Nadat hij in 1758 was overleden, kwamen er geen Amsterdammers meer in het college van hoofdingelanden, ofschoon er nog wel Amsterdams bezit was in de Starnmeer.

Onregelmatigheid

Sindsdien waren het naast Enkhuizen voortaan leden uit Rijper koopmansfamilies died plaatsen der hoofdingelanden innamen. Daarop waren enkele uitzonderingen. Zo was Maarten Molenaar, hoofdingeland van 1743 tot 1746, burgemeester van Jisp. Een andere uitzondering vormde Christianus Bucerus Stuurman, inwoner van Alkmaar en hoofdingeland van 1790 tot 1795. Hij was in de plaats gekomen van zijn schoonvader, de geneesheer Jacob Groen uit De Rijp, die in 1790 was overleden.

Feitelijk was hier een onregelmatigheid gepleegd die over het hoofd is gezien of waarvan men misschien eerder onkundig is geweest. Christianus Bucerus Stuurman was namelijk buiten gemeenschap van goederen getrouwd. Dus was het niet hijzelf die de vereiste 20 morgen bezat om tot hoofdingeland te kunnen worden benoemd.

De dijkgraaf en heemraden waren inmiddels nog steeds uit De Rijp afkomstig en ook zij die de functies vervulden van secretaris-penningmeester. Voor de dijkgraven was het als het ware vanzelfsprekend. Wel werden zij door de overheid benoemd, als vertegenwoordigers van die overheid, maar deze benoemingen geschiedden op grond van voordrachten die door de hoofdingelanden werden opgemaakt.

Van de 12 dijkgraven die er voor de Bataafse revolutie zijn geweest, waren er 2 uit Amsterdam, namelijk Jacob Loten en Dirk Alewijn en 1 uit Purmerend, namelijk Simon Appel, die echter uit een doopsgezind Rijper geslacht afkomstig was. Alle andere waren woonachtig in De Rijp.

De eerste penningmeester was Pieter Menten, die ook had deelgenomen in de bedijking. Hij werd al meteen, na de verlening van het octrooi in 1632, penningmeester van de Starnmeer. Ook na de verkaveling in 1643 bekleedde hij die functie. Maar niet lang meer. Hij had er blijkbaar een administratieve rotzooi van gemaakt en werd in 1644 uit zijn functie gezet.

Aris Dirksz., die ook had deelgenomen in de bedijking en als heemraad zitting had in het dagelijkse bestuur na de verkaveling, werd benoemd in de functie van secretaris-penningmeester. Hoe hij die heeft vervuld is niet duidelijk, want zijn administratie bevind zich niet in het archief van de polder.

In 1653 werd Claas Claasz. Opdam benoemd tot penningmeester. Het is zijn vedienste dat van zijn benoeming af een goed en overzichtelijk beheer begon.

Na hem volgden de generaties Beck als administrateurs.

De functies van secretaris en penningmeester waren aanvankelijk gescheidden. Ten tijde van de octrooi verlening was Claes Vechtersz secretaris van De Rijp. Hij vervulde die functie ook voor Starnmeer en Kamerhop, in welks bedijking hij deelnam met 10 morgen. Hij heeft er geen plezier aan beleefd, want hij overleed voor de verkaveling. Zijn land viel toe aan zijn weduwe, Trijn Claes. Heemraad aris Dircksz nam de functie van secretaris op zich en later ook die van penningmeester, zoals hierboven vermeld.

Een secretaris-penningmeester die niet onvermeld mag blijven was Jan Heynes uit De Rijp. Hij was daar schout ten tijde van de Bataafse Republiek. Als tijdgenoot van dijkgraaf Simon Appel heeft hij zich onsterfelijk gemaakt met het gedichtje dat in de gedenksteen is gebeiteld, die de voorgevel van het Heerenhuis in Spijkerboor siert. Jan Heynes was van eenvoudige afkomst. hij was schoolmeester in De Rijp en heeft zich van die functie uit naderhand als bestuurder omhoog gewerkt.

 

Meer hier over is te lezen in het volgende hoofdstuk: de dijkgraven.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *